De vorm
Passé composé bestaat uit twee delen:
- Hulpwerkwoord (avoir of être) in tegenwoordige tijd
- Voltooid deelwoord (participe passé)
Voorbeelden
- J'ai parlé — ik heb gepraat
- Tu as fini — jij hebt afgemaakt
- Il est allé — hij is gegaan
- Nous avons vu — wij hebben gezien
- Elles sont parties — zij (vrouwen) zijn vertrokken
Voltooid deelwoord vormen
Regelmatige werkwoorden
Drie categorieën:
- -er werkwoorden → -é. parler → parlé, manger → mangé, aimer → aimé
- -ir werkwoorden → -i. finir → fini, choisir → choisi
- -re werkwoorden → -u. vendre → vendu, attendre → attendu
Onregelmatige werkwoorden
Helaas: een hele lijst die je uit hoofd moet kennen. De belangrijkste:
- avoir → eu
- être → été
- faire → fait
- aller → allé (être!)
- venir → venu (être!)
- voir → vu
- savoir → su
- pouvoir → pu
- vouloir → voulu
- prendre → pris
- mettre → mis
- écrire → écrit
- lire → lu
- dire → dit
- boire → bu
Questr-flashcards heeft een starter-deck "Frans passé composé onregelmatig" met 20 belangrijkste — direct te kopiëren.
Avoir of être? — de grote vraag
De regel: avoir, behalve...
Verreweg de meeste werkwoorden gebruiken avoir. Slechts één groep gebruikt être:
1. De DR & MRS VANDERTRAMP-werkwoorden (être)
Een Engelse ezelsbruggetje voor de ~16 beweging- en verandering-werkwoorden die être nemen:
- Devenir — worden (devenu)
- Revenir — terugkomen (revenu)
- Monter — omhoog gaan (monté)
- Rester — blijven (resté)
- Sortir — uitgaan (sorti)
- Venir — komen (venu)
- Aller — gaan (allé)
- Naître — geboren worden (né)
- Descendre — afdalen (descendu)
- Entrer — binnengaan (entré)
- Rentrer — terugkeren (rentré)
- Tomber — vallen (tombé)
- Retourner — terugkeren (retourné)
- Arriver — aankomen (arrivé)
- Mourir — sterven (mort)
- Partir — vertrekken (parti)
Veel docenten geven de Nederlandse variant: "OAGAVTBLZS" of het lijstje met allemaal werkwoorden van komen, gaan, vallen, blijven. Maakt niet uit welke je gebruikt; onthoud de groep.
2. Reflexieve werkwoorden (être)
Werkwoorden met se ervoor (zich wassen, zich aankleden, zich amuseren):
- Je me suis lavé(e) — ik heb mezelf gewassen
- Elle s'est habillée — zij heeft zichzelf aangekleed
- Nous nous sommes amusés — wij hebben ons geamuseerd
De congruentie-regel (être-werkwoorden)
Bij être-werkwoorden moet je het deelwoord aanpassen aan het onderwerp (geslacht en aantal):
- Mannelijk enkelvoud: deelwoord onveranderd. Il est allé.
- Vrouwelijk enkelvoud: + e. Elle est allée.
- Mannelijk meervoud: + s. Ils sont allés.
- Vrouwelijk meervoud: + es. Elles sont allées.
Bij avoir-werkwoorden hoeft dit niet (bijna nooit) — uitzonderingen zijn er, maar voor middelbare-school basis: avoir = geen verandering.
Voorbeelden volledig
Een verhaaltje met passé composé:
Hier, je suis allée au cinéma. J'ai vu un film français. Après le film, j'ai mangé au restaurant avec mes amies. Nous avons parlé longtemps. Je suis rentrée à minuit. J'étais très fatiguée. (j'ai dormi tot 11 uur)
Let op:
- suis allée — aller met être, vrouwelijk → -e
- ai vu — voir met avoir, geen verandering
- ai mangé — manger met avoir
- avons parlé — parler met avoir, meervoud maar geen aanpassing
- suis rentrée — rentrer met être, vrouwelijk → -e
Veelgemaakte fouten
Fout 1: avoir bij beweging-werkwoord
❌ "J'ai allé au cinéma."
✅ "Je suis allé(e) au cinéma." (aller = être)
Fout 2: vergeten congrueren bij vrouwelijk
❌ "Marie est arrivé."
✅ "Marie est arrivée." (vrouwelijk +e)
Fout 3: regelmatige uitgang bij onregelmatig
❌ "J'ai prendu" (van prendre)
✅ "J'ai pris." (onregelmatig)
Verschil met imparfait
Frans heeft TWEE verleden tijden die je vaak naast elkaar gebruikt:
- Passé composé = afgeronde actie, gebeurde één keer of binnen begrensde tijd. "Hier, j'ai vu un film."
- Imparfait = doorlopende achtergrondsituatie, gewoonten, beschrijvingen. "Quand j'étais petite, j'allais à l'école à pied."
Vuistregel: passé composé = "wat gebeurde er", imparfait = "hoe was de situatie eromheen".
Veelgestelde vragen
Hoe leer ik die DR & MRS VANDERTRAMP-werkwoorden snel?
Flashcards met spaced repetition. Geen lijstje memoriseren — actief overhoren met intervallen. Binnen 2 weken kennen.
Wanneer gebruik ik passé composé en wanneer past simple in Frans?
"Past simple" in het Frans heet passé simple en gebruik je vrijwel alleen in literatuur. In gesproken en gewone schrijftaal: passé composé is de norm.
Krijg ik aftrek voor verkeerde congruentie?
Bij examens: ja, het wordt strikt gerekend. In dagelijkse spreektaal hoor je 't verschil niet eens (bijna alle vrouwelijke vormen klinken hetzelfde als mannelijk). Voor schriftelijke toetsen wel goed leren.
Welke onregelmatige werkwoorden zijn het belangrijkst?
De ~20 die in de meeste teksten voorkomen: avoir, être, faire, aller, venir, voir, savoir, pouvoir, vouloir, prendre, mettre, écrire, lire, dire, boire, naître, mourir, partir, sortir, devoir.